C’est arrivé près de chez vous”, een cultfilm die typerend is voor de Belgische cinema als geen ander, werd 30 jaar geleden uitgebracht op het hoogtepunt van het filmfestival van Cannes in 1992.
Wat ook zeker is, is dat terwijl je deze paar regels las, je je de andere clou’s herinnerde van de film “C’est arrivé près de chez vous” geregisseerd door het trio Rémy Belvaux, André Bonzel en Benoît Poelvoorde? Het is een film die onze cinema in een notendop zou kunnen samenvatten. Het is surrealistisch, anders, gedurfd, een beetje doe-het-zelf, vaak geïmiteerd maar nooit geëvenaard. Het is een film vol emotie, lachen (in dit geval zwart, geel omdat we spijt hebben dat we na bepaalde scènes hebben gelachen, en bloedrood) en reflectie (de kritiek op de sensatiebeluste media).
De film “C’est arrivé près de chez vous” volgt het dagelijks leven van Benoît, een seriemoordenaar. De TV-ploeg die hem filmt, vertelt niet alleen over zijn dagelijkse leven, maar wordt ook onderworpen aan zijn filosofische raaskallen, zijn kijk op de wereld en… zijn poëzie.
C’est arrivé…”, een echt onclassificeerbaar werk, werd voor het eerst vertoond in 1992 (30 jaar geleden) op de Semaine de la Critique, een competitie die naast het filmfestival van Cannes werd georganiseerd. Het festival, voorgezeten door Gérard Depardieu, opende op 7 mei met de vertoning van “Basic Instinct”, een andere zwavelachtige film. Op dat moment ontdekte de filmwereld het creatieve genie van het Belgische trio en vooral van hun hoofdrolspeler Benoit Poelvoorde. Op de Croisette wilde iedereen hem interviewen. De critici hadden gemengde gevoelens. Voor sommigen, zoals de redactie van Positif magazine, “dankzij het talent, de durf en de inventiviteit van de auteurs, overstijgt het werk […] de wetten van het genre om een levendige reflectie te bieden over de voorstelling van geweld in de cinema”. Voor anderen, zoals Télérama, “is alles wat we zien een stelletje lachende dwazen die rondjes draaien met hun gemakkelijke provocatie…”.
De producent van de film, Vincent Tavier, herinnert zich nog de kritische week in Cannes: “Er waren gevechten en rellen buiten de bioscopen. Iedereen wilde de film zien. We wisten er niets van, we waren erg naïef… over alles wat met distributie en contracten te maken had. En toen was de film in handen van andere mensen, we begrepen er niets meer van en het ging allemaal naar de kloten, het management van de film ontging ons…”
Interessant is dat in datzelfde jaar in Cannes een jonge regisseur zijn eerste speelfilm presenteerde, getiteld “Reservoir Dog” (deze editie uit 92 is absoluut zwavelachtig). En bij het zien van de Belgische poster riep deze regisseur, een zekere Quentin Tarantino, uit: “Ik wil deze film zien! Een poster die destijds voor heel wat opschudding zorgde. De eerste versie van de poster toont Ben in een laag shot, met zijn arm uitgestrekt en een revolver die wordt gebruikt om een… baby neer te schieten. We zien het kind niet, alleen zijn pop die in een regen van bloed wegvliegt. Omdat het erg gewelddadig werd gevonden, werd er een nieuwe versie gemaakt met een kunstgebit in plaats van de fopspeen. Zijn kunstgebitten minder schokkend? Er is geen leeftijdsgrens voor het veroorzaken van opschudding! Het is ook vermeldenswaard dat Tarantino en Poelvoorde (eindelijk) weer bij elkaar zijn. Dat was in 2004, in de jury van de officiële competitie, opnieuw in Cannes. Quentin zat het voor en Benoit amuseerde de journalisten op elke persconferentie.
